Per 1 januari 2025 is de Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure (Wagevoe) in werking getreden. Deze wet beoogt de geschillenregeling te versterken en de effectiviteit te vergroten. In dit praktijkartikel gaat Layla Verhagen in op de vraag of het wenselijk is om – naast de geschillenregeling – de gedwongen overdracht van aandelen ook als eindvoorziening in de enquêteprocedure op te nemen. Daarbij zal ze stilstaan bij de verhouding tussen de geschillenregeling en het enquêterecht, de recente wetswijzigingen en de praktische gevolgen voor aandeelhouders en vennootschappen.
Dit artikel is ook gepubliceerd in COBE Magazine 2026 / P-006.
Datum: 17 februari 2026
Gewijzigd 17 februari 2026
Geschreven door: Layla Verhagen
Leestijd: +/- 9 minuten
De Wagevoe heeft – kort gezegd – als doel de geschillenregeling te versterken door het toepassingsbereik te herzien, enkele procedurele onderdelen aan te passen, de norm voor uitstoting te verruimen en de regeling voor samenhangende vorderingen te wijzigen.
Vóór de inwerkingtreding van de Wagevoe bestond de geschillenregeling naast het enquêterecht. De Wagevoe maakt het mogelijk om een verzoek tot uittreding of uitstoting te combineren met een enquêteverzoek. Op basis van het enquêterecht heeft de Ondernemingskamer zeer ruime bevoegdheden om onderzoeken te gelasten en vergaande voorzieningen te treffen. In de praktijk speelt het enquêterecht vóór de inwerkingtreding van de Wagevoe dan ook een grotere rol bij ondernemingsrechtelijke geschillen dan de geschillenregeling. De geschillenregeling kent strengere voorwaarden, niet alleen ten aanzien van de ontvankelijkheid, maar ook voor de toewijzing van de op grond van de geschillenregeling ingestelde vorderingen. Voor de inwerkingtreding van de Wagevoe werd een procedure op grond van de geschillenregeling ingesteld met een dagvaarding en werd een dergelijke procedure in twee feitelijke instanties gevoerd.
De wetgever heeft bij de Wagevoe ervoor gekozen om in artikel 2:356 BW niet de gedwongen overdracht van aandelen op te nemen als eindvoorziening in een enquêteprocedure. In dit artikel bespreek ik de (on)wenselijkheid hiervan. Daarbij ga ik in op de achtergrond, een korte bespreking van het doel van een enquêteprocedure en de geschillenregeling (voor zover voor dit praktijkartikel relevant), en het limitatieve karakter van artikel 2:356 BW.
De wettelijke geschillenregeling werd in 1989 geïntroduceerd met als doel het beëindigen van aandeelhoudersgeschillen binnen vennootschappen. Centraal stonden de uittredings- en uitstotingsregeling, zoals vastgelegd in de artikelen 2:343 en 2:336 BW. Deze instrumenten zijn bedoeld om situaties te beëindigen waarin conflicten tussen aandeelhouders de samenwerking binnen een vennootschap onmogelijk maken.[1]
De geschillenregeling werd geïntroduceerd als een dagvaardingsprocedure, met de mogelijkheid van hoger beroep bij de Ondernemingskamer. Na verloop van tijd ontstond er kritiek op de keuze voor een dagvaardingsprocedure. Een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer werd als efficiënter gezien en zou bovendien de mogelijkheid bieden om deze te combineren met een enquêteprocedure.[2]
Met de flexibilisering van het BV-recht in 2012 werden enkele procedurele aspecten aangepast. Zoals de mogelijkheid tot uitvoerbaarverklaring bij voorraad en het treffen van voorlopige voorzieningen. Ondanks deze wijzigingen bleef de dagvaardingsprocedure met hoger beroep bestaan, maar eveneens de roep om ingrijpende verandering.[3]
In het Wagevoe-voorontwerp uit 2019 werd aanvankelijk vastgehouden aan de dagvaardingsprocedure en het systeem van twee feitelijke instanties. Dit stuitte echter op veel kritiek vanuit de praktijk en vanuit de Ondernemingskamer. Uiteindelijk leidde dit tot het Wagevoe-wetsvoorstel van eind 2023, waarin de dagvaardingsprocedure werd vervangen door een verzoekschriftprocedure met de Ondernemingskamer als eerste en enige feitelijke instantie. Deze wijziging werd door de minister gemotiveerd met het streven naar meer effectiviteit, efficiëntie en snelheid, terwijl tegelijkertijd voldoende procedurele waarborgen behouden blijven.[4] De behandeling door de Ondernemingskamer als enige feitelijke instantie staat nu centraal, waardoor m.i. de belangen van de vennootschap en haar aandeelhouders beter worden gewaarborgd.
Vóór de inwerkingtreding van de Wagevoe kozen partijen doorgaans voor de enquêteprocedure voor het oplossen van aandeelhoudersgeschillen.[5] Er kleefden veel bezwaren en beperkingen aan de geschillenregeling. Hierna bespreek ik de ratio van de geschillenregeling, evenals die van de enquêteprocedure, zodat helder is wat het verschil is tussen deze twee procedures.
De huidige geschillenregeling omvat vier procedures waarmee de aandelen- of stemverhoudingen kunnen worden gewijzigd tussen aandeelhouders en certificaathouders van niet-beursgenoteerde vennootschappen:
In de praktijk zijn uittreding en uitstoting de meest voorkomende procedures.[6]
Het doel van de huidige geschillenregeling is om aandeelhouders en certificaathouders snel en efficiënt toegang tot de rechter te bieden wanneer een geschil de samenwerking binnen de vennootschap onmogelijk maakt en de waarde van de onderneming daardoor negatief wordt beïnvloed.[7] De regeling voorziet in een uitweg door uittreding of uitstoting voor situaties waarin de verhoudingen tussen aandeelhouders zo ernstig zijn verstoord dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar komt, bijvoorbeeld door een patstelling in de besluitvorming.
De geschillenregeling is zo ingericht dat zij een zekere mate van rechtszekerheid en voorspelbaarheid biedt. De procedure bestaat uit twee fasen: eerst wordt beoordeeld of er gronden zijn voor uittreding of uitstoting, en pas daarna wordt de prijs van de aandelen vastgesteld, doorgaans door deskundigen. Dit voorkomt onnodige kosten en procedures wanneer niet aan de materiële voorwaarden is voldaan.
Het doel van de Wagevoe is de effectiviteit van de geschillenregeling te verbeteren door aanpassing van het toepassingsbereik, enkele procedurele aspecten en de norm voor uitstoting. Nu een verzoek bij de Ondernemingskamer kan worden ingesteld, zorgt dat niet alleen voor een versnelling van de procedures op grond van de geschillenregeling, maar is dat eveneens van invloed op de verhouding tussen de geschillenregeling en de enquêteprocedure.
De doeleinden van de enquêteprocedure zijn geformuleerd in de jurisprudentie van de Ondernemingskamer en de Hoge Raad.[8] Die doeleinden zijn niet slechts de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Beschikkingen die in het kader van een enquêteprocedure worden genomen kunnen bovendien bijdragen aan rechtsvorming. Hierbij valt niet alleen te denken aan gedragsnormen voor bestuurders en commissarissen, maar ook de ontwikkeling van het begrip vennootschappelijk belang. Het enquêterecht heeft een bredere strekking dan het realiseren van deze doeleinden. Het biedt bescherming aan minderheidsaandeelhouders of certificaathouders tegen machtsmisbruik door de meerderheid. Daarnaast beschermt het aandeelhouders tegen onjuist beleid dat hun (rechts)positie zodanig aantast dat zij ongewenst hun aandeelhouderschap kunnen verliezen.
Het is belangrijk om te benadrukken dat het enquêterecht niet bedoeld is voor het beslechten van geschillen van vermogensrechtelijke aard. Dat volgt uit het feit dat de kern van het enquêterecht immers niet primair gericht is op het beslechten van geschillen tussen aandeelhouders, maar op het onderzoeken en beoordelen van het beleid van de rechtspersoon zelf. Dit gebeurt door een onafhankelijk onderzoek, waardoor feiten boven tafel komen die partijen zelf vaak niet kunnen aanvoeren. Dit onderscheidt de enquêteprocedure van andere civiele procedures, waarin de feitelijke grondslag doorgaans door partijen wordt aangeleverd. Er moet niet aan voorbij worden gegaan dat deze procedure een zwaar en ingrijpend middel is, dat grote gevolgen kan hebben voor de betrokken onderneming. Zij is bedoeld om in situaties van gegronde twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken (artikel 2:350 lid 1 BW) een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten, zodat de materiële waarheid boven tafel komt en duidelijk wordt bij wie de verantwoordelijkheid voor eventueel wanbeleid rust.[9]
Samenvattend is de enquêteprocedure primair gericht op het vennootschappelijk belang en het functioneren van de onderneming als geheel, en niet op het individuele belang van aandeelhouders. De voorzieningen die de Ondernemingskamer na de enquête kan treffen zijn vooral van reorganisatorische aard, gericht op het oplossen van de problemen die tot wanbeleid hebben geleid en het herstellen van gezonde verhoudingen binnen de rechtspersoon.[10]
De Wagevoe maakt het mogelijk om een verzoek tot uittreding of uitstoting te combineren met een enquêteverzoek. Aan het combineren kan behoefte bestaan als de verzoeker daadwerkelijk twee verschillende zaken tegelijkertijd wil bereiken, te weten:
Een andere mogelijkheid is dat een verzoeker bij aanvang van de procedure nog niet weet wat hij wil en de mogelijkheid wil openhouden dat een impasse kan worden doorbroken zonder uitstoting of uittreding van een aandeelhouder, maar voor het geval dat niet lukt, dus subsidiair, uitstoting of uittreding verzoekt.[11] Het feit dat beide procedures verzoekschriftprocedures zijn die de Ondernemingskamer behandelt, levert een essentiële bijdrage aan deze combinatie. Voorwaarde is dat de vorderingen samenhangen met hetzelfde conflict binnen de vennootschap. Door beide procedures te combineren, kunnen partijen in één traject zowel onderzoek laten verrichten naar het beleid en de gang van zaken van de vennootschap als een structurele oplossing realiseren voor aandeelhoudersconflicten. Ik deel de mening van Schreurs en Eikelboom dat op deze wijze meer kans is op een volledige en op maat gesneden oplossing voor aandeelhoudersgeschillen. De weliswaar effectieve, maar wel gekunstelde kostbare weg van het regelen van aandeelhoudersgeschillen via de onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure, is overbodig. Partijen kunnen een (gecombineerde) procedure beginnen die rechtstreeks afgaat op een definitieve oplossing, maar ook een mogelijkheid biedt om tijdig in te grijpen voordat het te laat is.[12]
Artikel 2:356 BW geeft een limitatieve opsomming van de voorzieningen die door de Ondernemingskamer kunnen worden getroffen nadat wanbeleid is vastgesteld: de eindvoorzieningen. In sub e is de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer opgenomen. Deze maatregel raakt aan de verhouding tussen de aandeelhouders. De Ondernemingskamer kwalificeert de overdracht van aandelen ten titel van beheer in een enquêteprocedure als een rechtsfiguur van eigen aard (sui generis). De aandelen in beheer behoren niet in goederenrechtelijke zin tot het vermogen van de beheerder, maar alleen de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (zoals vergader- en stemrecht) worden tijdelijk aan de beheerder overgedragen. De overige aandeelhoudersrechten, zoals het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure, blijven bij de aandeelhouder.
Van Solinge heeft vóór inwerkingtreding van de Wagevoe zich kritisch uitgelaten over de keuze van de wetgever om in artikel 2:356 BW geen gedwongen overdracht van aandelen als mogelijke eindvoorziening in de enquêteprocedure op te nemen.[13] Het standpunt van Van Solinge komt er – kort gezegd – op neer dat als de wetgever de Wagevoe zou hebben aangegrepen om het enquêterecht uit te breiden met de gedwongen overdracht van aandelen, het meest gebruikte onderdeel van de geschillenregeling (te weten de uitstotingsregeling), daarmee overbodig zou zijn geworden. Van Solinge meent in zijn artikel dat het beter zou zijn om alle ondernemingsrechtelijke geschillen in één OK-rechtsgang te bundelen en beide procedures in de wet samen te voegen door de gedwongen overdracht van aandelen op te nemen als eindvoorziening in artikel 2:356 BW.
Dit in tegenstelling tot wat de minister in de toelichting opmerkt ten aanzien van het feit dat een enquêteprocedure en een procedure op grond van de geschillenregeling na inwerkingtreding van de Wagevoe gemakkelijker kunnen worden gevoegd. Daarover merkt Van Solinge op dat de toegangseisen van beide procedures niet op elkaar zijn afgestemd, waardoor voeging mogelijk tot problemen gaat leiden en resulteert in hogere kosten voor partijen. Een verzoeker die meer dan 10% maar minder dan 1/3 van de aandelen heeft, is bijvoorbeeld wel bevoegd in de enquêteprocedure, maar niet in de uitstotingsprocedure. Voeging is dan onmogelijk, aldus Van Solinge. Van Solinge stelt dat als de enquêteprocedure dat ene element krijgt dat zij nog mist (de overdracht van aandelen als mogelijke eindvoorziening in een enquêteprocedure) dat dan de weinig succesvolle geschillenregeling kan opgaan in de enquêteprocedure.
Het standpunt van Van Solinge is inmiddels achterhaald, omdat de wetgever de geschillenregeling apart heeft gehouden en de overdracht van aandelen niet als eindvoorziening in het enquêterecht heeft opgenomen. Ik ben van mening dat het wenselijk is om deze ‘twee sporen’ te behouden en er – nu de geschillenregeling is gewijzigd – geen behoefte bestaat aan een overdracht van aandelen in het enquêterecht. Het is m.i. niet (meer) noodzakelijk om alle ondernemingsrechtelijke geschillen in één OK-rechtsgang te bundelen.
Een gedwongen aandelenoverdracht is een vorm van onteigening. Dit vereist een procedure die voldoet aan het fair trial-beginsel (artikel 6 EVRM) en het recht op ongestoord genot van eigendom (artikel 1 EP EVRM). Een ingreep in iemands vermogen kan bijvoorbeeld arbitrair zijn – en daarom verboden onder artikel 1 EP EVRM – omdat deze gepaard gaat met onvoldoende procedurele waarborgen.[14] Het standpunt dat Van Solinge inneemt[15] is dat voorheen het argument was dat de bescherming van een dagvaardingsprocedure in twee feitelijke instanties bij onteigening, nu bij de nieuwe geschillenregeling overboord is gegooid. Die wordt immers ook ingeleid met een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer. Van Solinge wijst erop dat de enquêteprocedure ten minste nog twee rondes kent voordat – als het daadwerkelijk tot toewijzing van een eindvoorziening zou komen – op onteigening wordt beslist.
Omdat de geschillenregeling wordt ingeleid met een verzoekschrift bij de Ondernemingskamer, resulteert dit in een snellere, meer gespecialiseerde en uniforme behandeling van geschillen. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de geschillenregeling te versterken, in plaats van de enquêteprocedure uit te breiden. De geschillenregeling is specifiek gericht op aandeelhoudersgeschillen, terwijl de enquêteprocedure primair ziet op een onderzoek naar wanbeleid binnen de vennootschap. De geschillenregeling voorziet in de mogelijkheid om een verzoek tot uitstoting dan wel uittreding van een aandeelhouder bij de Ondernemingskamer te doen. Hierdoor acht ik het opnemen van een gedwongen overdracht van aandelen als mogelijke eindvoorziening in de enquêteprocedure onwenselijk; mede gezien het feit dat de effectiviteit van de geschillenregeling door de Wagevoe sterk is verbeterd en het combineren van een verzoek op grond van de geschillenregeling met een enquêteverzoek relatief eenvoudig is geworden. Een duidelijk onderscheid tussen de doeleinden van deze ‘twee sporen’, waarborgt de systematiek van het vennootschapsrecht en bevordert de rechtszekerheid.
De Wagevoe biedt de juiste scheidslijn tussen de geschillenregeling en het enquêterecht en heeft de procedures gemoderniseerd en verduidelijkt, zodat m.i. een enquêteprocedure zich niet leent voor een gedwongen overdracht van aandelen als mogelijke eindvoorziening. De enquêteprocedure is primair gericht op het herstellen van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap en het aanpakken van wanbeleid. Het combineren van de geschillenregeling en de enquêteprocedure is juridisch wel mogelijk, mits de afzonderlijke doelstellingen en procedurele eisen van beide regelingen in acht worden genomen. De kernvoorzieningen blijven gescheiden, waardoor de effectiviteit en rechtszekerheid binnen het vennootschapsrecht worden gewaarborgd. De Ondernemingskamer heeft ruime bevoegdheden om samenhangende geschilpunten efficiënt te behandelen, maar de inhoudelijke scheidslijn tussen beide procedures blijft strikt gehandhaafd.
De geschillenregeling, als apart instrument, biedt specifieke waarborgen en procedures die geschikt zijn voor een gedwongen aandelenoverdracht. Bij de aanpassing van de geschillenregeling is rekening gehouden met een goede balans tussen enerzijds snelheid en anderzijds een met voldoende waarborgen omklede procedure (vanwege verenigbaarheid met artikel 1 EP EVRM en 6 EVRM).[16] De nieuwe geschillenregeling biedt dus, naast de enquêteprocedure, een specifiek en effectief instrument voor het oplossen van aandeelhoudersgeschillen, met een sterke focus op snelheid én voldoende waarborgen ter bescherming van de rechten van alle betrokkenen, in overeenstemming met artikel 1 EP EVRM en artikel 6 EVRM. De regeling is daarmee complementair aan de enquêteprocedure en biedt een passende oplossing voor situaties waarin de samenwerking tussen aandeelhouders in een impasse is geraakt, zonder dat het vennootschappelijk belang of wanbeleid centraal hoeft te staan.
Besproken is de mogelijkheid van het combineren van een enquêteverzoek met een verzoek op grond van de geschillenregeling. Dit biedt de mogelijkheid om via minder ingrijpende, herstelgerichte maatregelen een oplossing te bereiken, en pas als dat niet lukt, het definitieve middel van bijvoorbeeld uitstoting/uittreding in te zetten. Daartegenover staat dat in sommige gevallen het gewenste doel niet bereikt kan worden met een enquêteverzoek (of de vennootschap de kosten van een eventueel onderzoek niet kan dragen) en wordt gekozen voor een effectieve oplossing, en om die reden de Ondernemingskamer slechts verzoekt tot uitstoting/uittreding van een aandeelhouder (met eventueel samenhangende vorderingen).
Voor de praktijk is relevant om kort nog een procesrechtelijk voordeel aan te stippen. In de enquêteprocedure kan de Ondernemingskamer andere voorzieningen treffen dan verzocht (mits besproken met partijen). Zowel in de uittredings- als in de uitstotingsprocedure is de OK gebonden aan het verzoek van partijen en kan zij niet zelfstandig andere voorzieningen treffen dan verzocht.
Kortom, het opnemen van een gedwongen overdracht als eindvoorziening in het enquêterecht zou leiden tot onnodige overlap, complexiteit en het risico van rechtsongelijkheid. De geschillenregeling biedt reeds een adequate, gespecialiseerde en met waarborgen omklede route voor dergelijke geschillen. Daarmee wordt het vennootschapsrechtelijk systeem overzichtelijk en doeltreffend gehouden, en wordt voorkomen dat de enquêteprocedure wordt belast met vermogensrechtelijke conflicten waarvoor zij niet is bedoeld.
--------
[1] S.W. Holterman, ‘De wijzigingen in de geschillenregeling: met de Wagevoe naar een effectieve en efficiënte geschilbeslechting’, Bedrijfsjuridische Berichten 2024/39, afl. 16, p. 149.
[2] J.L. van der Schrieck & H.F. Bruggencate, ‘De verzoekschriftprocedure’, in: C.D.J. Bulten e.a., Handboek Geschillenregeling (VDHI nr. 192), Wolters Kluwer: Deventer 2025, p. 54.
[3] S.W. Holterman, ‘De wijzigingen in de geschillenregeling: met de Wagevoe naar een effectieve en efficiënte geschilbeslechting’, Bedrijfsjuridische berichten 2024/39, afl. 16, p. 150.
[4] J.L. van der Schrieck & H.F. Bruggencate, ‘De verzoekschriftprocedure’, in: C.D.J. Bulten e.a., Handboek Geschillenregeling (VDHI nr. 192), Wolters Kluwer: Deventer 2025, p. 56.
[5] G.C. Makkink & P.W. Schreurs, ‘Bijdragen najaarsbijeenkomst Wagevoe’, in: Geschriften vanwege de Vereniging Corporate Litigation 2023-2024 (VDHI nr. 189), p. 463.
[6] M. Mussche, ‘De verborgen schatten van Wagevoe’, Maandblad voor Ondernemingsrecht 2025/1-2.
[7] K. Spruitenburg, ‘Inleiding’, in: C.D.J. Bulten e.a., Handboek Geschillenregeling (VDHI nr. 192), Wolters Kluwer: Deventer 2025, p. 7.
[8] HR 10 januari 1990, NJ 1990/466, m.nt. Maeijer; JOR 2021/288, m.nt. Olden (Ogem), r.o. 4.1; 4.3, OK (vz.) 6 november 2013, JOR 2014/7, m.nt. Bulten (Fortis), r.o. 2.4, HR 11 april 2014, NJ 2014/296, m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2014/259, m.nt. Olden (Slotervaartziekenhuis), r.o. 5.3.2, OK 8 juli 2015, ARO 2015/183; JOR 2015/260, m.nt. Bulten (SNS).
[9] Concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2012:BV1435, bij HR 30 maart 2012, JOR 2012/142, m.nt. B. Winters.
[10] Kamerstukken II 2023/24, 36469, 3, p. 19.
[11] G.C. Makkink & B.J. Blok, ‘De verhouding tot de enquêteprocedure, in: C.D.J. Bulten e.a., Handboek Geschillenregeling (VDHI nr. 192), Wolters Kluwer: Deventer 2025, p. 346.
[12] P.W. Scheurs & F. Eikelboom, ‘De wettelijke geschillenregeling eindelijk volwassen’, Ondernemingsrecht 2024/23, p. 134.
[13] G. Van Solinge, ‘Zijn we met de Wagevoe op de goede weg?’, Ondernemingsrecht 2024/6, p. 22.
[14] F. Eikelboom, ‘De geschillenregeling en fundamentele rechten’, in: C.D.J. Bulten e.a., Handboek Geschillenregeling (VDHI nr. 192), Wolters Kluwer: Deventer 2025, p. 91.
[15] G. Van Solinge, ‘Zijn we met de Wagevoe op de goede weg?’, Ondernemingsrecht 2024/6, p. 22.
[16] Kamerstukken II 2023/24, 36469, 3, p. 16-18.
Als advocaten voor ondernemers begrijpen wij het belang van voorop blijven. Samen met ons heeft u alle kansen en risico’s in het vizier. Neem gerust contact met ons op en laat u persoonlijk informeren over onze diensten.