Vervaltermijnen in de bouw: nog steeds een remedie?

Een gebrek in een opgeleverd bouwwerk betekent niet automatisch dat herstel nog kan worden afgedwongen. Veel bouwvoorwaarden, zoals de UAV 2012, AVA 2013 en de voorwaarden van Woningborg en SWK, bevatten vervaltermijnen die dat recht na verloop van tijd (meestal 5 of 10 jaar) laten vervallen.

 

Eerder schreef Lars Ordelman over het arrest van het Hof Amsterdam, waarin het vervalbeding uit artikel 16.3 AVA 2013 in een consumentenovereenkomst als onredelijk bezwarend werd beoordeeld. Hierover was toen het laatste woord nog niet gezegd. Inmiddels ligt er een volgende ontwikkeling op tafel. Op 27 maart 2026 nam de Advocaat-Generaal (A-G) een conclusie in de cassatieprocedure tegen het arrest. [1] Zijn advies aan de Hoge Raad is kritisch: het arrest zou moeten worden vernietigd. Wat betekent dat voor vervaltermijnen in de bouw? In dit artikel worden de belangrijkste punten uit de conclusie op een rij gezet.

#bouw

Datum:  18 juni 2026

Gewijzigd  18 juni 2026

Geschreven door:  Lars Ordelman

Leestijd:  +/- 4 minuten

Korte herhaling: waar ging het ook alweer over?

In de zaak die voorlag bij het Hof Amsterdam en nu bij de Hoge Raad gaat het om particuliere opdrachtgevers (consumenten) die een aannemer een vrijstaande woning hebben laten bouwen. Op die overeenkomst zijn de AVA 2013 van toepassing, met daarin de bekende vervaltermijnen van twee, vijf en tien jaren. Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de vervalbedingen onredelijk bezwarend zijn, onder meer omdat het beding (i) een wettelijke verjaringstermijn vervangt, (ii) niet kan worden gestuit, (iii) de consument dwingt te procederen en (iv) tot gevolg heeft dat ook de natuurlijke verbintenis tenietgaat.

In dit eerdere artikel werd bij twee van die argumenten al een kritische kanttekening gemaakt:

a.    bij de stelling dat het vervalbeding een wettelijke verjaringstermijn 'vervangt', en
b.    bij de aanname dat het vervalbeding ook de natuurlijke verbintenis doet tenietgaan.

Die kanttekeningen blijken nu in belangrijke mate te worden gedeeld door de A-G.

De conclusie van de A-G: vernietiging en verwijzing

De A-G concludeert tot vernietiging van het arrest van het Hof Amsterdam. Diverse cassatieklachten van de aannemer treffen volgens de A-G doel. Twee punten verdienen voor de bouwpraktijk bijzondere aandacht.

i.    Vervaltermijn betekent niet automatisch algeheel rechtsverlies

Het Hof Amsterdam ging ervan uit dat bij het verstrijken van de vervaltermijn 'zowel de vordering als de natuurlijke verbintenis tenietgaan'. De A-G stelt dat dit uitgangspunt onjuist is: door uitleg van het beding moet worden vastgesteld wát precies vervalt. De tekst van artikel 16.3 lid 4 AVA 2013 begint met de woorden 'De rechtsvordering uit hoofde van het in lid 2 sub b bedoelde gebrek is niet ontvankelijk [vervalt], indien zij wordt ingesteld na…'. Volgens de A-G zijn dat (terecht) maar liefst drie aanwijzingen dat alléén de rechtsvordering vervalt en dus een natuurlijke verbintenis resteert. 

Deze conclusie sluit precies aan bij de kanttekening die Lars Ordelman vorig jaar plaatste: een vervalbeding dat spreekt over niet-ontvankelijkheid van de rechtsvordering tast het vorderingsrecht zelf in beginsel niet aan. Dat is van belang nu hiermee (onder andere) de bevoegdheid tot verrekening resteert.

ii.    Betrokkenheid van consumentenorganisaties is wél relevant

Het Hof Amsterdam veegde het argument van de aannemer van tafel dat vergelijkbare vervaltermijnen ook voorkomen in algemene voorwaarden die in samenspraak met consumentenorganisaties (zoals de Consumentenbond en Vereniging Eigen Huis) zijn opgesteld. Volgens het hof zegt een dergelijk overleg 'niets' over de oneerlijkheid van een concreet beding.

De A-G noemt dat oordeel 'evident onjuist'. Onder verwijzing naar onder meer een arrest van de Hoge Raad over de Algemene Bankvoorwaarden[2], benadrukt de A-G dat tweezijdigheid (de betrokkenheid van consumentenorganisaties bij de totstandkoming van algemene voorwaarden), wel degelijk meeweegt bij de beoordeling of een beding onredelijk bezwarend is. 

Wat opvalt: de A-G houdt bewust de boot af

Een opvallend element in de conclusie is dat de A-G zich zeer terughoudend opstelt over de principiële vraag óf vervaltermijnen in consumentenverhoudingen nu oneerlijk zijn. Hij erkent dat dit 'niet onmogelijk' is, gelet op de stevige Europese oneerlijkheidstoets en het feit dat vervalbedingen op de grijze lijst (artikel 6:237 onder h BW) en op de indicatieve lijst van Richtlijn 93/13/EEG voorkomen. Daarmee worden de bedingen ‘vermoed’ onredelijk bezwarend te zijn. 

De A-G waarschuwt echter nadrukkelijk dat dergelijke vervaltermijnen in de bouw zó gangbaar zijn dat een precedent (een vorige uitspraak van een rechtbank) grote gevolgen heeft, nu aannemers hun prijsvorming, reserves en verzekeringsdekking op de vervaltermijnen instellen.
 
Idealiter wordt zo’n precedent volgens de A-G gevestigd in een prejudiciële procedure waarin ook brancheorganisaties en consumentenorganisaties kunnen inspreken. Deze cassatiezaak betreft echter een verstekzaak, en dat is volgens de A-G 'maximaal' het tegenovergestelde van dat ideaal. In een verstekzaak is voor inspraak geen plaats.

Daar komt nog bij dat de Raad van Arbitrage zich inmiddels uitdrukkelijk distantieert van de lijn van het Hof Amsterdam. [3] De A-G hecht waarde aan een respectvolle verhouding tussen de overheidsrechter en de RvA en ook dat pleit volgens hem voor een 'niet-principiële afdoening'.

Wat betekent dit voor aannemers?

De conclusie van de A-G is een advies. Het is de Hoge Raad die uiteindelijk beslist. De conclusie geeft wel een aantal belangrijke handvatten voor de praktijk:

a.    de stelling dat een vervalbeding, zoals artikel 16.3 lid 4 AVA 2013 (en daarmee verwante bepalingen, zoals paragraaf 12 lid 4 UAV 2012) ook tot verlies van de natuurlijke verbintenis leidt, is waarschijnlijk onjuist. Alleen de rechtsvordering vervalt. Een beroep op verrekening resteert in dat geval;
b.    de omstandigheid dat het door de aannemer gebruikte vervalbeding voorkomt in algemene voorwaarden die ín samenspraak met consumentenorganisaties zijn opgesteld, is relevant en kan steun bieden bij de redelijkheidstoets.

Voorzichtigheid blijft echter geboden: ook de A-G sluit niet uit dat een vervalbeding in consumentenverhoudingen onder omstandigheden onredelijk bezwarend is. Vervalbedingen staan nu eenmaal op ‘de grijze lijst’ en worden daarmee vermoed onredelijk bezwarend te zijn. 

Als geoordeeld wordt dat een vervaltermijn ‘onredelijk bezwarend’ is, kan daarop geen beroep worden gedaan als verweer tegen een (verborgen) gebrek. Dat betekent dat de reguliere verjaringstermijn van 20 jaren herleeft. 

Conclusie

De conclusie van A-G Valk is goed nieuws voor aannemers die werken met de AVA 2013, de UAV 2012 of vergelijkbare voorwaarden, zoals Woningborg- en SWK-voorwaarden. De belangrijkste pijlers onder het arrest van het Hof Amsterdam, het automatische verlies van de natuurlijke verbintenis en de relevantie van tweezijdig overleg worden door de A-G van tafel geveegd. De vraag of vervaltermijnen jegens consumenten houdbaar zijn is daarmee nog niet beantwoord. 

Voor de praktijk geldt dus nog steeds: een goed doordachte documentatie, een transparante uitleg van vervaltermijnen aan de consument vóór contractsluiting en het laten paraferen van de algemene voorwaarden blijven onmisbaar. De tip uit het vorige artikel staat overeind: leg in een kort en duidelijk garantiedocument uit wat het vervalbeding inhoudt en welke consequenties het heeft. In dat geval is een dergelijk beding minder snel onredelijk bezwarend, omdat de consument zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust is van de gevolgen van het beding.

 


[1] Parket bij de Hoge Raad, 27 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:308


[2] Hoge Raad, d.d. 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6947


[3] RvA, 17 februari 2026, nr. 38.068, onder 15-22. RvA, 7 april 2025, nr. 82640, onder 12-19.


Blijf scherp

Wij volgen de zaak op de voet en informeren u zodra de Hoge Raad arrest heeft gewezen. Heeft u in de tussentijd vragen over verval- en verjaringstermijnen of een ander bouwrechtelijk geschil, bijvoorbeeld over verborgen gebreken? Neem dan vooral contact met ons op.

Contact

Meer over dit onderwerp: