Op 1 juli 2026 is de Wet versterking regie volkshuisvesting (hierna: Wvrv) gedeeltelijk in werking getreden. Met de Wvrv wordt de volkshuistingstaak van het Rijk, de provincies en de gemeente nader wettelijk verankerd en wordt het instrumentarium versterkt waarmee deze overheden regie kunnen voeren op onder meer de woningbouwopgave, de betaalbaarheid van woningen en de huisvesting van aandachtsgroepen. Ook is beoogd versnelling en vereenvoudiging in procedures te bereiken. Niet alle onderdelen zijn al in werking getreden. In onderstaande blog zetten Luca van den Berg en Caspar Delissen de belangrijkste wijzigingen uiteen die deze nieuwe wet met zich brengt.
Datum: 04 augustus 2026
Gewijzigd 04 augustus 2026
Geschreven door: Caspar Delissen en Luca van den Berg
Leestijd: +/- 5 minuten
De Wvrv verankert het volkshuisvestingsprogramma in de Omgevingswet. Op grond van artikel 3.6, derde lid, Omgevingswet moet het college van burgemeester en wethouders een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma vaststellen. Deze bepaling geldt sinds 1 juli 2026. De verplichting om over een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma te beschikken treedt op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking. Vooralsnog is 1 juli 2027 beoogd. Ook voor provincies en het Rijk voorziet de Omgevingswet in een volkshuisvestingsprogramma.
Het volkshuisvestingsprogramma werkt het beleid uit de omgevingsvisie nader uit en bevat onder meer beleid over woningbouwprogrammering, betaalbare woningbouw en de huisvesting van aandachtsgroepen. Het programma bindt burgers en bedrijven niet rechtstreeks. De daarin opgenomen programmering kan echter wel doorwerken in de wijze waarop gemeenten hun publiekrechtelijke bevoegdheden inzetten en zal duidelijk worden in hoeverre volkshuisvestingsprogramma doorwerken in concrete besluitvorming.
De inhoud van de programma's wordt bovendien niet uitsluitend lokaal bepaald. De Wvrv versterkt de mogelijkheden van provincie en Rijk om via instructieregels en instructies te geven. Zo kan de provincie op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder e, Omgevingswet met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad een instructie geven over het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. Een vergelijkbare instructiebevoegdheid voor het Rijk is opgenomen in artikel 2.34, tweede lid, onder h, Omgevingswet.
Een belangrijk onderdeel van de nieuwe regie betreft de programmering van betaalbare woningen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden hiervoor nadere instructieregels opgenomen. Binnen deze opgave wordt gestuurd op de realisatie van sociale huurwoningen en woningen in het middensegment, waaronder middenhuur en betaalbare koop. In het besluit zullen hiertoe instructieregels worden opgenomen, waaronder de verplichting voor gemeenten om bij nieuwbouw een minimumpercentage van 30% sociale huurwoningen te hanteren. Deze wijzigingen zijn op dit moment echter nog niet in werking getreden.
Deze percentages gelden niet zonder meer voor ieder afzonderlijk woningbouwproject. De sturing vindt plaats op een hoger schaalniveau en gemeenten krijgen ruimte om de opgave regionaal te verdelen. Ook hoeven lopende woningbouwprojecten niet vanwege de nieuwe betaalbaarheidseisen te worden geherprogrammeerd.
De Wvrv bevat verschillende procesrechtelijke maatregelen om de doorlooptijd van procedures over woningbouw te verkorten. Een deel daarvan geldt sinds 1 juli 2026 rechtstreeks voor woningbouwprojecten vanaf één woning.
Zo verruimt artikel 16.83a Omgevingswet voor bepaalde omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten vanaf één woning de mogelijkheid van rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a Awb. Het schriftelijke verzoek om de bezwaarfase over te slaan blijft vereist, maar hoeft niet langer meteen in het bezwaarschrift zelf te worden gedaan.
Daarnaast kan de Afdeling bestuursrechtspraak op grond van artikel 16.86a Omgevingswet een nadere zitting achterwege laten zonder instemming van partijen en kan zij op grond van artikel 16.87b Omgevingswet in hoger beroep verkort uitspraak doen.
Verder biedt artikel 16.87a Omgevingswet de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur categorieën projecten aan te wijzen waarvan versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen. Voor aangewezen projecten wordt het beroep versneld behandeld, waarbij in beginsel binnen zes maanden uitspraak moet worden gedaan. Ook kan artikel 16.86, eerste en derde lid, Omgevingswet van toepassing worden, waardoor na afloop van de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. De aanvullende versnellingen gelden pas nadat de betreffende categorie projecten bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen.
Daarnaast wordt beoogd bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht te wijzigen. Met deze wijziging wordt voorzien in beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een besluit als bedoeld in artikel 16.87a Omgevingswet. Daartoe zal dit besluit worden toegevoegd aan artikel 2 van bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht. Deze wijziging is vooralsnog niet in werking getreden. De inwerkingtreding vindt plaats op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip (Stb 2026 nr. 156).
Ook de regeling voor het gemeentelijk voorkeursrecht is gewijzigd. Op grond van artikel 9.4, eerste lid, Omgevingswet vervalt een voorkeursrecht in beginsel vijf jaar na het ingaan daarvan, tenzij het overeenkomstig het tweede lid wordt verlengd. Onder het oude recht gold een geldingsduur van drie jaar. Met de Wvrv is deze termijn verlengd naar vijf jaar.
Voor reeds vóór 1 juli 2026 gevestigde voorkeursrechten geldt overgangsrecht. Op grond van artikel VII, vijfde lid, Wvrv blijven daarop de artikelen 9.4 en 15.52 Omgevingswet van toepassing zoals deze vóór de inwerkingtreding van de Wvrv luidden. Voor de toepasselijke regeling is dus van belang wanneer het voorkeursrecht is gevestigd.
De wet voorziet in een verhoging van de griffierechten voor beroepsprocedures tegen omgevingsplannen, omgevingsvergunningen en projectbesluiten, voor zover deze besluiten betrekking hebben op de bouw van een of meer woningen. Het griffierecht wordt verhoogd naar € 500 voor natuurlijke personen en € 1.000 voor niet-natuurlijke personen. De verhoging van de griffierechten treedt vooralsnog niet in werking. De rechtspraak krijgt eerst de tijd om zich op deze wijziging voor te bereiden. De inwerkingtreding vindt naar verwachting plaats op 1 januari 2028 (Stb 2026 nr. 157).
De wetgever beoogt de regels voor vergunningvrije mantelzorgwoningen, die onder de Omgevingswet grotendeels in het omgevingsplan zijn opgenomen, opnieuw op rijksniveau te regelen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarnaast wordt een landelijke regeling geïntroduceerd voor het vergunningvrij realiseren van zogenoemde familiewoningen. De nieuwe regeling treedt naar verwachting op 1 januari 2027 in werking.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Met het Besluit versterking regie volkshuisvesting is beoogd de Ladder niet langer van toepassing te laten zijn bij woningbouwprojecten. Door de Ladder voor woningbouw buiten toepassing te verklaren, worden de benodigde onderzoeken (behoefteonderzoeken en ladderrapporten) fors verminderd. Hiermee wordt beoogd de planvorming te vereenvoudigen en woningbouw, waaronder woningbouw buiten bestaand stedelijk gebied, te versnellen. Voor andere stedelijke ontwikkelingen blijft de Ladder van toepassing.
Heeft u naar aanleiding van deze blog vragen over de Wvrv of wilt u weten welke kansen deze wijzigingen voor uw project of organisatie kunnen bieden? Neem dan gerust contact op met onze specialisten Caspar Delissen of Luca van den Berg. Zij denken graag met u mee.