Op 23 juni 2026 deed het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) een opvallende en voor de praktijk zeer relevante uitspraak in de zaak NorthC Datacenters B.V. tegen ACM en Liander (ECLI:NL:CBB:2026:282). De uitkomst is helder, maar de implicaties kunnen groot zijn voor ontwikkelaars, ondernemers en exploitanten die elektriciteitsintensieve activiteiten ontplooien of plannen.
In deze blog zet Juuk Hulshof de belangrijkste punten op een rij en legt hij uit welke gevolgen dit voor u als bedrijf met zich mee brengt. Benieuwd? Lees dan hieronder verder!
Datum: 30 juli 2026
Gewijzigd 30 juli 2026
Geschreven door: Juuk Hulshof
Leestijd: +/- 5 minuten
NorthC exploiteert een datacenter in Almere en had in 2008 een aansluit- en transportovereenkomst (ATO) gesloten met Liander voor een gecontracteerd transportvermogen (GTV) van 15.000 kW. Dat klinkt als een stevige reservering en dat is het ook.
Maar in de jaren daarna, van 2008 tot eind 2022, gaf NorthC bij herhaling een lager GTV op aan Liander. Niet 15.000 kW, maar soms slechts 3.000 kW, en (uiteindelijk) 6.500 kW. Logisch vanuit kostenperspectief: het GTV vormt de basis voor het capaciteit gebonden transporttarief (het zogeheten TAVT-tarief). Wie minder opgeeft, betaalt minder. En als je de volle 15.000 kW toch niet gebruikt, is het verleidelijk om die waarde naar beneden bij te stellen.
Eind 2023 wilde NorthC het roer omgooien. Het datacenter groeide, en NorthC gaf haar GTV opnieuw op: 15.000 kW, conform de ATO. Liander reageerde echter afwijzend. Op het relevante netdeel in Flevoland was inmiddels congestie waardoor het verzoek werd afgewezen.
NorthC stelde beroep in bij het CBb na ongegrondverklaring bij de ACM, met als kernargument: de ATO garandeert mij 15.000 kW. Die opgaven op grond van de Tarievencode gaan enkel over het tarief, niet over mijn transportrecht.
Het CBb volgt dit argument niet en bevestigt het eerdere oordeel van de ACM. De redenering is als volgt:
Artikel 7.1 lid 2 van de Netcode Elektriciteit geeft een aangeslotene een vast recht op transport tot de hoogte van het gecontracteerde en beschikbaar gestelde vermogen. Artikel 3.7.4 van de Tarievencode Elektriciteit verplicht grootverbruikers (aansluitingen groter dan 3x80A) om jaarlijks een waarde op te geven voor het GTV. Deze waarde wordt gedefinieerd als het vermogen dat een verbruiker redelijkerwijs verwacht maximaal op enig moment in het jaar nodig te hebben.
Volgens het CBb doelen beide bepalingen op hetzelfde vermogen. De Netcode, de Tarievencode en de Begrippencode vormen daarin één samenhangend systeem. Wie op grond van artikel 3.7.4 Tarievencode een lagere waarde opgeeft, past daarmee niet slechts zijn tarief aan, maar hij verlaagt zijn gecontracteerde transportrecht. Die lagere opgave wordt het nieuwe GTV waarop de afnemer aanspraak kan maken.
Het gevolg voor NorthC: haar GTV was niet langer 15.000 kW, maar de laatste door haar opgegeven waarde was bepalend. Bij een verzoek om verhoging terug naar 15.000 kW kan Liander dat weigeren op grond van congestie, precies zoals bij iedere andere nieuwe transportaanvraag.
Dit oordeel raakt rechtstreeks de praktijk van veel projectontwikkelaars, exploitanten en ondernemers met een grootverbruikersaansluiting. De les is simpel maar ingrijpend: een lagere opgave op grond van artikel 3.7.4 Tarievencode is geen neutrale administratieve handeling. Het is een juridisch relevante wijziging van het gecontracteerde transportvermogen.
Wie zijn GTV jaar na jaar laag opgeeft om transportkosten te besparen, maar rekent op de zekerheid van een hoger vermogen in de toekomst, loopt dus een risico. Het maakt daarbij niet uit of u in het verleden een ATO had met een hoger vermogen. De laatste opgave is bepalend. Wilt een bedrijf daarna weer omhoog, dan is het afhankelijk van beschikbare netcapaciteit. En die is in grote delen van Nederland schaars, of simpelweg niet beschikbaar.
Voor de volledigheid: deze situatie is nadrukkelijk iets anders dan de regeling GOTORK (Gebruik Op Tijd Of Raak het Kwijt) dan wel UIOLI (Use It Or Lose It). Die regeling ziet op gevallen waarin de netbeheerder het GTV van een afnemer naar beneden bijstelt wegens structureel niet-gebruik. In de NorthC-zaak was het de afnemer zelf die steeds lagere waarden opgaf. Dat is een zelfgekozen aanpassing, met alle gevolgen van dien.
En de Energiewet?
Met de inwerkingtreding van de Energiewet, zijn ook de netcodes gewijzigd. Deze zijn goeddeels beleidsneutraal overgezet, en dat geldt ook voor artikel 3.7.4 van de Tarievencode, die terug te vinden is in 3.8 van de nieuwe Tarievencode 2026. Dat artikel bepaalt dat verbruikers worden ingedeeld in tariefcategorieën aan de hand van hun gecontracteerd transportvermogen voor afname. Ook staat daarin dat de verdeling van aangeslotenen over die categorieën kan afwijken van de gewenste aansluitcapaciteit, doordat aangeslotenen op verzoek in een lagere categorie kunnen worden ingedeeld, precies de kern van de oude opgaveverplichting uit artikel 3.7.4.
Heeft u een grootverbruikersaansluiting en geeft u jaarlijks een GTV op aan uw netbeheerder? Controleer dan zorgvuldig of die waarde aansluit bij uw huidige én toekomstige behoeften. Verwacht u op termijn meer vermogen nodig te hebben, bijvoorbeeld door uitbreiding van uw activiteiten, de realisatie van een nieuwe fase van een project, of de elektrificatie van uw bedrijfsprocessen, geef dan een waarde op die daarmee rekening houdt.
Wilt u weten wat deze uitspraak van het CBb betekent voor uw gecontracteerd transportvermogen, uw jaarlijkse opgave aan de netbeheerder of uw (toekomstige) uitbreidingsplannen? Neem dan gerust contact op met Juuk Hulshof of collega's. Zij denken graag met u mee over de gevolgen voor uw praktijk en de stappen die u nu al kunt zetten.