Wat als een minderheidsaandeelhouder in conflict raakt met de meerderheid én tevens gebonden is aan verstrekkende nevenbedingen? Sinds de Wagevoe op 1 januari 2025 kunnen bij de Ondernemingskamer naast een enquêteverzoek ook verzoeken tot uittreding en uitstoting worden ingediend, die regelmatig gecombineerd worden in de veronderstelling dat dit meer mogelijkheden biedt. In een onlangs geschreven blog voor COBE, gepubliceerd op hun website (COBE 2026 / B-033), behandelt onze collega Jan Willem van Aken de beschikking van de Ondernemingskamer waarin zowel het uittredings- als het enquêteverzoek worden afgewezen en wordt verduidelijkt dat een dergelijke combinatie lang niet altijd noodzakelijk is.
COBE 2026 / B-033, Jan Willem van Aken, e-ISSN 3050-6956, M.A.D.Lex
Datum: 07 augustus 2026
Gewijzigd 07 augustus 2026
Geschreven door: Jan Willem van Aken
Leestijd: +/- 6 minuten
De geschillenregeling en enquêteprocedure bevatten vergelijkbare instrumenten voor de Ondernemingskamer. Toch worden beide procedures regelmatig gecombineerd aanhangig gemaakt, in de veronderstelling dat deze combinatie meer mogelijkheden biedt. In onderhavige beschikking wijst de Ondernemingskamer zowel het uittredingsverzoek als het enquêteverzoek af. De Ondernemingskamer verduidelijkt dat het combineren van beide procedures niet altijd noodzakelijk is. Tot slot worden de samenhangende vorderingen inzake de toepassing van het overeengekomen relatiebeding afgesplitst en doorverwezen naar de civiele rechter.
Sinds de inwerkingtreding van de Wagevoe op 1 januari 2025 kunnen bij de Ondernemingskamer, naast een enquêteverzoek, ook verzoeken tot uittreding en uitstoting worden ingediend (samen de geschillenregeling).
De geschillenregeling en de enquêteprocedure zijn echter niet geschikt om ieder ondernemingsgeschil op te lossen, zoals blijkt uit de onderhavige beschikking. Het geschil betreft de reikwijdte van een overeengekomen relatie- en non-concurrentiebeding waaraan verzoekster is gebonden. Om de Ondernemingskamer voldoende instrumenten mee te geven, grijpt verzoekster beide procedures aan, gecombineerd met samenhangende vorderingen die erop gericht zijn verzoekster te ontslaan uit deze nevenrestricties.
Verzoekster is in 2021 in dienst getreden bij In Domo. In de arbeidsovereenkomst van verzoekster zijn partijen een relatiebeding overeengekomen, dat onder meer bepaalt dat verzoekster binnen een jaar na het beëindigen van haar arbeidsovereenkomst niet mag werken voor klanten van In Domo. In de zomer van 2025 verwerft verzoekster een aandelenbelang in In Domo en wordt partij bij de aandeelhoudersovereenkomst. Aandeelhouder Russell Square houdt een meerderheidsbelang en beschikt op grond van de aandeelhoudersovereenkomst over controlerende bevoegdheden, waaronder het non-concurrentiebeding dat verzoekster verbiedt zonder voorafgaande goedkeuring van Russell Square concurrerende activiteiten met die van In Domo te verrichten. Russell Square is een tussenholding van WPP, een wereldwijde marketing- en communicatiegroep.
In het najaar van 2025 besluit verzoekster, omwille van onenigheid over de AI-strategie en de invloed van meerderheidsaandeelhouder Russell Square, In Domo te verlaten en een eigen marketingadviesbureau te beginnen.
Tijdens de gesprekken tussen verzoekster en In Domo ontstaat discussie over of verzoekster contact mag blijven onderhouden met klanten van In Domo en in het verlengde daarvan over de overeengekomen relatie- en non-concurrentiebedingen.
Verzoekster meent dat op grond van de gedragingen van In Domo het voortduren van haar aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van haar kan worden gevergd. De nevenrestricties in zowel de arbeids- als de aandeelhoudersovereenkomst zijn dusdanig ruim geformuleerd dat zij zal worden belemmerd in het verrichten van marketing gerelateerde werkzaamheden. Voorts kon zij alleen aandeelhouder worden indien zij akkoord zou gaan met voornoemde nevenrestricties. Zij had geen juridische kennis en was derhalve niet in staat de gevolgen van de aandeelhoudersovereenkomst te overzien. Het had op de weg van In Domo en Russell Square gelegen, die in tegenstelling tot verzoekster wél werden bijgestaan door een advocaat, haar daarover te informeren. Ook zou het relatiebeding nietig zijn, omdat dit in strijd zou zijn met het mededingingsrecht.
In Domo en Russell Square voeren verweer, waar de Ondernemingskamer als volgt over oordeelt.
Verzoekster wist onder welke voorwaarden zij participeerde in In Domo en heeft er zelf voor gekozen zich niet te laten adviseren.
In Domo en Russell Square hebben redelijk gehandeld door het non-concurrentiebeding prijs te geven en het relatiebeding onder meer te beperken tot een selectie van klanten van In Domo. Het toepassingsbereik van het relatiebeding dat resteert is alleszins redelijk ter bescherming van het bedrijfsdebiet van In Domo. Ten slotte onderbouwt verzoekster haar mededingingsrechtelijke standpunt niet concreet. Hoe het ook zij, het is aan de civiele rechter hierover te oordelen. Het verzoek tot uittreding wordt afgewezen.
Volgens verzoekster zijn er, naast het hiervoor besproken uittredingsverzoek, ook gegronde redenen om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen. Zij voert daartoe een viertal gronden aan. Ten eerste getuigt het optreden van In Domo naar aanleiding van haar vertrek van falend beleid. Ten tweede heeft Russell Square overheersende zeggenschap op grond van de aandeelhoudersovereenkomst en voorts misbruikt Russell Square haar overheersende zeggenschap ten nadele van de minderheidsaandeelhouders. Ten derde schiet de informatievoorziening aan minderheidsaandeelhouders tekort: sinds verzoekster aandeelhouder is, heeft geen enkele algemene vergadering plaatsgevonden. Ten vierde zijn de non-concurrentiebepalingen in strijd met het Europese en Nederlandse mededingingsrecht.
In Domo en Russell Square voeren verweer, waarop de Ondernemingskamer als volgt oordeelt.
De eerste grond – falend beleid rondom het vertrek – faalt omdat de Ondernemingskamer niet kan vaststellen aan wie de fricties zijn toe te rekenen. Bovendien heeft het enkele feit dat over een onverwacht vertrek onenigheid is ontstaan, onvoldoende gewicht om bij te dragen aan twijfel over het beleid van In Domo.
Wat de tweede grond betreft: iedere rechtspersoon is vrij haar organisatie naar eigen inzicht in te richten. De gekozen structuur – waarbij Russell Square als meerderheidsaandeelhouder bepaalde zeggenschapsrechten toekomen – is niet in strijd met de wet en niet zonder meer onredelijk. Verzoekster heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat de samenwerking met het WPP-netwerk daadwerkelijk strijdig is met het vennootschapsbelang van In Domo. De beweerde onttrekking van activa treft evenmin doel. Tegenover het uitvoerige verweer heeft verzoekster slechts algemene vraagtekens geplaatst.
De klachten over gebrekkige informatievoorziening en het ontbreken van een algemene vergadering worden eveneens verworpen. Het is niet vreemd dat in de enkele maanden dat verzoekster aandeelhouder is geweest van In Domo geen aandeelhoudersvergadering is gehouden.
Tot slot verwerpt de Ondernemingskamer het mededingingsrechtelijke betoog op grond van dezelfde overwegingen als bij het uittredingsverzoek.
Om deze redenen wijst de Ondernemingskamer ook het enquêteverzoek af.
De geschillenregeling blijkt geen algemeen uittreedrecht te bevatten voor medewerkers/aandeelhouders die ontslag nemen.
Voorts grijpt de Ondernemingskamer de afwijzing aan om in algemene zin stil te staan bij een combinatie van een verzoek tot uittreding of uitstoting met een enquêteverzoek. Volgens de Ondernemingskamer is dit lang niet altijd nodig. De mogelijkheden van de Ondernemingskamer bij onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure zijn immers vergelijkbaar met de mogelijkheden bij voorlopige voorzieningen in geschillenprocedures.
De Ondernemingskamer voegt daaraan toe dat zij in een enquêteprocedure weliswaar bevoegd is andere voorzieningen te treffen dan verzocht, maar dat partijen niet mogen worden verrast door een maatregel waarop zij redelijkerwijs niet bedacht hoefden te zijn. Hetzelfde geldt bij voorlopige voorzieningen in een geschillenprocedure. Voor zover een partij de Ondernemingskamer wil uitnodigen een andere voorziening te treffen dan die waarom is verzocht, is een afzonderlijk enquêteverzoek dus niet vereist.
Ten slotte kan de Ondernemingskamer samenhangende vorderingen behandelen, maar deze ook afsplitsen en naar de civiele rechter verwijzen. In deze zaak gebeurde dat met de vorderingen over de toepassing van het overeengekomen relatiebeding.
Hoger beroep tegen een beschikking van de Ondernemingskamer staat immers niet open, zoals de Ondernemingskamer in deze beschikking heeft overwogen.
Lees deze blog ook via de website van COBE.
Heeft u naar aanleiding van deze blog vragen over het combineren van procedures bij de Ondernemingskamer, of loopt u als aandeelhouder vast in een vennootschappelijk geschil? Neem dan gerust contact op met onze specialisten. Zij denken graag met u mee over de aanpak die past bij uw situatie en helpen u bij het maken van de juiste keuzes.